Samenwerking telefonische triage bij vier huisartsenspoedposten in subregio’s
Samenwerken en vertrouwen staan centraal in de ontwikkeling van regionale telefonische triage bij de huisartsenspoedposten (HAP’s) Nijmegen, Rivierenland, Gelderse Vallei en Arnhem. Marieke Cuijten (projectleider) en Inge IJkhout (triagist en projectgroeplid) vertellen enthousiast hoe zij samen met collega’s uit de subregio’s bouwen aan deze nieuwe manier van werken.
Inge: “Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder.”
Wat was de belangrijkste aanleiding om te starten met deze samenwerking?
Marieke: “De cijfers laten een duidelijke trend zien: de vraag naar acute zorg groeit, terwijl het aanbod aan personeel onder druk staat. Dat vraagt om slimme oplossingen. Met regionale samenwerking kunnen we de zorgvraag beter verdelen over de huisartsenspoedposten. Zo benutten we het beschikbare personeel efficiënter en verminderen we gemiddelde wachttijden voor patiënten.”
Wat is het doel van het project?
Triagist en projectgroeplid Inge benadrukt dat het perspectief van de patiënt altijd centraal moet staan: “Uiteindelijk moet de samenwerking in het belang van de patiënt zijn. We moeten ons steeds afvragen: wordt de acute zorg hier écht beter en toegankelijker van? De patiënt staat voorop.” Marieke vult daarop aan: “Voor patiënten willen we de wachttijden verlagen en de toegankelijkheid van acute zorg waarborgen. Voor triagisten hopen we dat deze manier van werken betekent dat piekbelasting beter wordt verdeeld. Dat maakt het werk beter vol te houden, zeker op drukke momenten.”
Hoe werkt het regionale triagemodel in de praktijk?
Marieke vertelt: “De HAP’s worden telefonisch met elkaar verbonden en nemen binnenkomende oproepen en triage van elkaar over na een ingestelde wachttijd. Op dit moment bereiden we een eerste pilot voor. In november starten we met deze eerste test, in de nachturen. Dan kijken we vooral of de techniek goed werkt en of de randvoorwaarden en werkafspraken duidelijk zijn. Deze pilot evalueren we. Daarna volgt een tweede pilot, waarin we onderzoeken of samenwerking ook op drukkere momenten mogelijk is. Dan gaan we buiten de nacht op drukkere momenten samenwerken, met meer triagisten en een grotere patiëntenstroom.” Volgens Inge is het essentieel om collega’s daarin goed mee te nemen. “We betrekken de achterban actief bij de besluiten die we nemen en leggen uit waarom dat nodig is. Communicatie is ontzettend belangrijk. Er zijn mogelijkheden om vragen te stellen, zoals vragenuurtjes, en teamcoördinatoren staan klaar om te ondersteunen. Dat hebben we goed georganiseerd.”
Wat vraagt deze manier van samenwerken van de teams?
Inge geeft aan dat de verandering soms spannend kan zijn voor medewerkers. “Het is belangrijk dat randvoorwaarden goed zijn en dat werkafspraken duidelijk zijn. Triagisten moeten kunnen vertrouwen op hun eigen expertise en niet het gevoel krijgen dat alles ingewikkelder wordt. Daar doen we als werkgroep ons uiterste best voor.” Marieke is het daarmee eens: “Het vraagt flexibiliteit en vertrouwen. Triagisten moeten bekend zijn met de werkafspraken van andere HAP’s en krijgen te maken met patiënten uit een ander verzorgingsgebied. In sommige gevallen werken ze ook samen met een regiearts van een andere post. We gaan uit van vertrouwen in elkaars triage, alsof het je eigen collega is.”
Wat hebben jullie tot nu toe geleerd?
“Een belangrijk inzicht is dat de voorbereiding op deze samenwerking ook een zoektocht is naar de juiste balans tussen het regionale belang en de belangen van de individuele HAP’s” licht Marieke toe. “We voeren daar open gesprekken over: wat levert samenwerking op voor de regio en wat betekent dat voor iedere organisatie afzonderlijk? Die vragen hebben niet altijd direct een eenduidig antwoord, maar juist door ze samen te verkennen ontstaat meer begrip voor elkaars perspectieven en voor de mogelijkheden van de samenwerking. Dat proces vraagt tijd en aandacht, maar we merken dat het ons helpt om stap voor stap verder te komen.”
Wat zijn de volgende stappen?
Inge blikt vooruit: “Ik kijk uit naar de pilots. We bereiden ze zorgvuldig voor, met voldoende mogelijkheden voor collega’s om mee te kijken op de andere huisartsenspoedpost en vragen te stellen. En uiteindelijk doen we het samen”. Marieke vult aan: “Ons streven is om toe te werken naar een structurele samenwerking tussen vier HAP’s. De pilots moeten laten zien hoe we dat het beste kunnen organiseren: continu of juist flexibel bij piekbelasting. Voor patiënten verandert er overigens niets merkbaars, zij krijgen gewoon een triagist aan de lijn zoals ze gewend zijn.”
Welke effecten verwachten jullie van deze samenwerking?
Marieke: “Na de eerste pilot verwachten we nog geen grote effecten. Dat komt waarschijnlijk pas na de tweede fase. Uiteindelijk hopen we dat de wachttijden afnemen. Een grote meerwaarde zit ook in de duurzaamheid van de samenwerking: bij crises, ziekte of bijvoorbeeld een technische storing kunnen de HAP’s elkaar opvangen. Dat maakt het systeem minder kwetsbaar.”
Waar zijn jullie trots op?
Zowel Marieke als Inge zien dat de samenwerking over de grenzen van de eigen HAP heen een grote stap is, maar ook veel positieve energie losmaakt. “Ik zie veel positiviteit in de projectgroepen”, vertelt Marieke enthousiast. “Iedereen werkt constructief samen en denkt actief mee over hoe we dit goed kunnen vormgeven. We hebben al veel stappen gezet, met een zorgvuldige voorbereiding in de projectgroep en goede afstemming tussen de managers. Daar ben ik trots op.” Inge herkent dat beeld: “We werken met verschillende triagisten samen en ondanks wat vertraging staan we er nog steeds heel gemotiveerd en positief in. We zetten echt samen de schouders eronder. We kunnen alles tegen elkaar zeggen en werken heel fijn samen. Daar ben ik trots op.”
Meer weten over het project?
Bekijk de projectpagina of neem contact op met Marieke.